Menu Content/Inhalt
Achtergronden, Berliner Kabarett

Ontstaan van het cabaret in Parijs, le "Chat Noir"
1881, Montmartre. Een landelijk gebied aan de rand van Parijs, waar de bevolking arm is en enkele schilders wonen. Rudolphe Salis (kunstenaar, charlatan en zakenman) opent daar een café dat hij "Chat Noir" noemt. De kat stond voor bohemiens symbool voor antiburgerlijkheid en onafhankelijkheid, wat goed paste bij zijn club stamgasten die zich de Hydropathen (waterapostelen) noemde. Dit waren schilders, dichters, musici en studenten die oorspronkelijk in het quartier latin bij elkaar kwamen, maar nu waren overgestapt naar de Chat Noir. Zij zongen en reciteerden daar voor hun eigen vermaak. Dat gebeurde in die tijd wel vaker in café's, maar het bijzondere van Salis was dat hij deze "exclusieve zittingen" voor publiek toegankelijk maakte. HIerdoor ontstond een nieuw kunstgenre, het cabaret.
Het burgerpubliek kwam om de kunstenaars "in het wild" mee te maken, had gratis toegang maar betaalde een vermogen voor eten en drinken. In de programma's speelde het lied de hoofdrol (naast voordrachten) dankzij de lange traditie van het chanson.

parijs01.jpgHet begon in Parijs, maar ook in de rest van Europa ontstonden dergelijke initiatieven. Soms om, zoals in Parijs, de bourgeoisie te trekken waar goed geld mee verdiend kon worden, vaker ook voor groot publiek dat steeds meer behoefte kreeg aan licht vermaak. De Music Halls, Café-Concerts en Variété of Revue waren allemaal voorlopers van het cabaret.

Music Hall
Music Halls ontstonden in Engeland, waar het eerste de behoefte aan licht vermaak ontstond omdat de kapitalistische en industriële ontwikkelingen hier het verst was. In 1852 werd de eerste geopend, in 1868 waren er 40 Music Halls in Londen en 290 in heel Engeland.
Het publiek had behoefte aan vermaak, aan lichte kost, en dat konden deze genres prima bieden. Er waren verschillende Halls voor verschillende publieksgroepen. Er ontstonden bepaalde "types", zoals de echte of nagemaakte neger, het zusterduo en de humorist met de rode neus. Meestal was het thema conservatief, monarchistisch en nationalistisch, maar ook anti-militairisme kwam voor.

Café-Concert
In Frankrijk traden in 1770 voor het eerst zangers, dansers en acrobaten binnen op, in een café in plaats van op straat, maar de bloeitijd begon pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, Sterren uit het Café Concert konden doorbreken in de grote vermaaksinstellingen zoals Scala en Eldorado. Met veel reclame werden deze sterren tot vedetten gebombardeerd, zoals bijvoorbeeld Theresa, de koningin van het Café-Concert die naast serieuze chansons ook liedjes zong met titels als "het kietelt in mijn neus" en "de vrouw met de baard".

Revue
De Music Halls brachten in tegenstelling tot het Café-Concert meer dan chansons, daar was ook acrobatiek, clownerie en dressuur te zien. Hieruit ontwikkelde zich de revue, een om één of meer sterren gegroepeerde show met zang, dans, grote decors, technische effecten en schaars geklede dames. De Folies-Bergère orienteerde zich al in de 80-er jaren op de revuestijl, gevolgd door andere etablissementen zoals de Moulin Rouge.

Variété
In Duitsland ontstond in gelijke tred met het buitenland het variété. De voorloper daarvan waren de Singspielhallen waar je bier, varkensgebraad en muziek voorgeschoteld kreeg. Sinds de 70-er jaren van de 19e eeuw schoten in Duitsland de variétés als paddestoelen uit de grond; van goedkope TingelTangels tot het exclusieve Variétépalast. Variété was een schouwtoneel voor vrolijke en pikante voordrachten, voor allerlei verrassingen, waar niets onmogelijk was. Bepaalde types variété-artiesten ontstonden: de sentimentele liedzangeressen, de humorist, de gymnastieker, de slangenmens, de goochelaar, en de "zusters". De link met het circus was groot.

Berliner Überbrettl
In de 90er jaren van de 19e eeuw nam het variété in Duitsland een dominante plaats in. Bekende schrijvers maakten zich zorgen om het lage niveau van de geboden teksten en de smakeloosheid, ze wilden een veredeling, een omvorming van de Tingeltangels (in het zuidduits "Brettl" genoemd) tot stand brengen. Eén van hen, Ernst von Wolzogen, kwam met het idee van de Überbrettl; een esthetischer vorm met sociale satire en politieke grappen, gepresenteerd in een theaterzaal in plaats van een café.
In 1901 opende hij aan de Alexanderplatz zijn "Buntes Theater", het eerste Duitse cabaret. Al snel moesten er concessies gedaan worden aan de inhoud, omdat de literatuurparodie niet aansloeg bij het publiek. In 1902 trad hij terug uit de leiding en ging zijn theater uiteindelijk economisch en inhoudelijk ten onder.

Kabarett werd een soort vermaak tussen Tingel-Tangel en variété, een aanhangsel van het nachtleven in de grote stad. Met de welvaart groeide ook de behoefte aan vermaak. Berlijn ontwikkelde zich tot het Parijs van de Duitse bourgeoisie.

"Zum Roland von Berlin"

Rudolph Nelson (1878-1960) opende in 1904 de Roland von Berlin. Voor de opening nodigde hij de aristocratie uit, en om deze groep aan te spreken en anderen af te stoten bedroeg de entreeprijs maar liefst 20 Mark. Zijn chansons zijn over het algemeen dubbelzinnig – het begint onschuldig, in het refrein onthult de laatste zin de pikante clou. "Peter, Peter, komm zu mir zurück" is een voorbeeld van een dergelijke tekst, hoewel met een heel onschuldig einde van een pikant lijkend lied. In 1907 ging Nelson hier weg en begon Chat Noir, ook een "exclusieve" club met vermogend publiek.
Naast Chat Noir en Roland von Berlin was het Lindenkabarett het bekendst. De hoogte van toegangsprijzen wisselde, zodat ook burgerpubliek hier kon komen. Omdat er dageljks ander publiek kwam, konden de programma's lange tijd doorgespeeld worden.

Het cabaret na de eerste wereldoorlog
Een nieuwe situatie ontstond door de instorting van het keizerrijk en het wegvallen van de censuur. Dit had niet direct bloei van maatschappelijk kritisch cabaret tot gevolg, maar een enorme aanwas van de goedkoopste amusementsindustrie. Nieuwe cabarets schoten als paddestoelen uit de grond. In 1922 telde Berlijn alleen al 38 cabarets.
De amusementsindustrie floreerde, en het bourgeois publiek liet zich vermaken met het in de mode geraakte naaktdansen en andere naaktheden. Als er in deze cabarets al politieke voordrachten gehouden werden, dan appelleerden zij aan de reactionaire instincten van het publiek. In deze situatie moet het beginnen van een cabaret met literaire aspiraties en echte maatchappijkritiek als een pioniersdaad beschouwd worden.

Schall und Rauch

In 1919 opende regisseur Max Reinhardt zijn grote Schaupielhaus. In de kelder werd met zijn ondersteuning een cabaret opgericht dat Schall und Rauch genoemd werd. Max had al rond 1901 in een "Schall und Rauch" cabaret gespeeld, toen nog als acteur. De naam komt van Goethe (Name sei Schall und Rauch - Faust). Dit eerste Schall und Rauch parodieerde hun dagelijkse acteerwerk, zoals Schillers "Don Carlos". Ook pleegden ze politieke satire, maar de ruggegraat van het programma was de dramatische parodie. Liedvoordrachten en recitaties werden erin gebracht als concessie aan de heersende smaak.

Dit tweede Schall und Rauch werd beroemder; er debuteerden veel van de latere grote bekende namen, zoals Kurt Tucholsky, Walter Mehring, Mischa Spoliansky, Joachim Ringelnatz, Gussy Holl en Blandine Ebinger. Het openingsprogramma omvatte een film, gedichten, literaire parodie, een chansons en als clou van de avond een poppenspel met een parodie op de voorstelling die "boven" in het Schauspielhaus werd gespeeld.
Hoewel het grootste deel van de voorstellingen als amusement bedoeld was, waren aanzetten tot politieke satire overduidelijk aanwezig. Daarin, en in de literaire ambitie, ligt de verdienste van dit tweede Schall und Rauch. In 1920 nam Hans von Wolzogen de zaak over, hij wist het niveau te behouden toto het in 1921 een paar keer van leiding wisselde. Midden jaren '20 eindigde het als Biercabaret.
Bron: Kabarettgeschichte Rainer Otto/ Walter Rösler
Henschelverlag Berlin 1981

parijs02.jpg





Kurt Tucholsky (1890-1935)

Hij was journalist, dichter, vechter tegen reactionairen, één van de bekendste publicisten van de Weimar Republiek. Voor Schall und Rauch schreef hij chansons waarin hij de actualtiteit becommentarieerde maar ook een scherpe politieke toon aansloeg. Hij schreef voor de belangrijkste chansonvertolksters van zijn tijd: Gussy Holl bijvoorbeeld zong "Zieh dich aus, Pretronella!". Andere bekende vertolksters waar hij voor schreef waren Käthe Erholz, Trude Hesterberg en Kate Kuhl. De beste componisten voorzagen zijn teksten van muziek, zoals Friedrich Hollaender, Rudolf Nelson en Hanns Eisler.

Friedrich Hollaender (1896-1976)

Friedrich Hollaender, componist en tekstdichter, werd in de jaren '20 een echt grote naam in de Berliner cultuurscene. Hij schreef liederen en revues, begeleidde zangers en zangeressen op piano en had ook een eigen podium, het Tingel-Tangel theater. Hij componeerde ook voor films, zoals voor "Der Blaue Engel" waarvan het door Marlene Dietrich gezongen "Ich bin von Kopf bis Fuß" nog steeds een begrip is.